De Pasfoto: "Het objectief kan niet liegen".

Zo af en toe droom ik nog over het maken van pasfoto's. Hoewel ik me er nu weinig meer van herinner was de consensus van mijn droom vannacht dat ik het maken van de pasfoto altijd als erg leuk ervaren heb. In mijn tijd in de foto-retail heb ik zo doende een enorm oeuvre opgebouwd. Meestal is de pasfoto een beetje het ondergeschoven kindje (met veel marge, dat dan weer wel) en verkopers werken dan ook liever aan de driedubbeldikke-spiegelreflex-met-bijverkoop. De gevleugelde uitspraak van de winkelchef naar de hulp is dan ook: "Kun jij even een pasfoto maken?". Ik heb het altijd ervaren als het maken van een snel portretje en soms kon je echt even contact leggen met de mensen: "Kende gij van mijn vrouw een foto'ke schieten? Bij mijn blijft ze nie plakke hoor!", waarna ik me op zijn vrouw richtte: "En je bent al HOEVEEL jaar met hem getrouwd?!" Omdat het zo'n kort moment was, kon je behoorlijk ad rem reageren en werd dat ook op prijs gesteld. We hebben behoorlijk wat afgelachen in het pasfotohokje. Als ik al iets mis van de retail, dan is het de pasfoto.

De pasfoto ligt het dichtste bij de basis van het medium fotografie. Aangezien onze hersenen zijn ingesteld om gezichten te onthouden en niet vingerafdrukken, is een neutrale afbeelding van je gezicht nodig om zeker te zijn van iemands identiteit. De pasfoto is daarom een neutraal beeld, of ten minste een zo neutraal mogelijk beeld. Dit in tegenstelling van het portret waarin altijd een mening van de maker verscholen ligt.

In 1854 patenteerde Adolphe Disdéri een camera met vier objectieven waarmee hij een ‘carte de visite’ kon maken: een foto met vier identieke afbeeldingen. In korte tijd werden deze een grote rage. Geschoten om uit te delen aan je vrienden en dus allesbehalve neutraal afgebeeld. Het 'identiteitsportret' komt pas later en heeft zijn bron in het vastleggen van 'rassen en klassen' binnen de antropologie. Antropoloog Paul Broca noemt het in 1865 ‘antropometrische fotografie’ en pas in 1883 werd de pasfoto geïntroduceerd in de Parijse rechtspraak om verdachten te kunnen identificeren. De Franse criminoloog en politieagent Alphonse Bertillon, van wie je hier zijn zelfgemaakte pasfoto ziet, ontwikkelde rond 1880 de 'Bertillonage', een systeem waarmee verdachten konden worden geïdentificeerd. Natuurlijk speelde de fotografie een belangrijke rol want, aldus Alphonse: "Het objectief kan niet liegen".

(bron: Wikipedia, Rick Suermondt; De Fotograaf (nr 5) 1998, pp 4-5)